-Een toren bouwen met lego. Wie maakt de hoogste toren?
-Maak 10 torens met lego. Een toren van 1 blokje, een toren met twee blokjes enz. Schrijf er cijfers bij.
-Sorteer lego op kleur. Maak torentjes van 5 hoog. Hoeveel torens kun je maken?
-Dobbelen en bouwen met lego. Gooi met een dobbelsteen en pak evenveel blokken als gegooide ogen. Wie bouwt de hoogste toren?
-Cijfers maken met lego.
-1-2-3 plakt. Ga op zoek naar 10 dieren/auto´s. Laat iemand een dier in gedachten nemen. Tel totdat je het juiste dier aanwijst. De ander zegt dan ´plakt´.
-Cijfers meppen. Schrijf de cijfers (1 t/m 12) op een papiertje. Een ander zegt een cijfer en jij probeert op het juiste cijfer te meppen met een vliegenmepper.
-Zet alle schoenen uit de kast op een rij van klein naar groot.Hoeveel paar schoenen hebben jullie?
-Pak een stok kaarten en haal de kaarten met cijfers eruit. Leg ze in de juiste volgorde.
-Zoek cijfers op verpakkingen en schrijf ze op.
-Meten is weten. Pak een meetlint en meet je lichaamsdelen.
-Meten is weten. Neem een bol wol en meet de tafel, bank etc. af. Sorteer de draden van kort naar lang.
-Eierdoos tellen. Hoeveel eieren zitten er in een doos? Haal er 2 uit. Hoeveel zitten er dan in de doos? etc.
-Tel alle lampen in huis. Schrijf het antwoord op.
-Lief lieveheersbeestje. Liedje Sesamstraat zie box liedjes
-Speel een gezelschapsspel met een dobbelsteen.
-Passen en meten met flessen en bekers.
-Hoeveel klokken, wekkers, horloges hebben jullie thuis?
-Kaartspel pesten.
-Ga in huis op zoek naar spullen die vierkant zijn. Leg deze van groot naar klein.
-Watje blazen. Neem een rietje en een wattenbolletje. Maak een begin en een eindlijn. Ga op de grond liggen en blaas met je rietje net voor het watje. Hoe vaak moet je blazen voordat je rietje over de eindlijn is?
-Bekers stapelen. Heb je tien bekers? Zet er vier onderaan, drie erop, twee daarop en de laatste bovenop. Je doet je ogen dicht en laat iemand bekers wegpakken? Hoeveel bekers zijn er weg?
-Drijven en zinken.
-Een minuut heeft 60 tellen. Wat kun je in 1 minuut allemaal doen. Kun je je naam schrijven?
-Spiegelen met spullen. Maak een lange lijn in de woonkamer of in de tuin met een springtouw of met stoepkrijt. Leg spulletjes neer en spiegel ze naar de andere kant. Er ontstaat een mooi kunstwerk.
-Cijferdoolhof.
-Meten, Pak een schoen van pape en een schoen van jezelf. Meet de bank met beide schoenen. Hoe vaak past de schoen van papa en hoe vaak die van jou?
-Tellen en doorgeven van sneeuwballen. Frommel een wit A-4tje tot een prop (sneeuwbal). Je geeft de bal om en om door enzegt steeds een cijfer. Jij zegt 1, kind zegt 2, jij 3 etc. Tot hoever kun je tellen?
Je kunt het ook oefenen met terugtellen.
-Leg 5 kopjes ondersteboven naast elkaar. Tel de kopjes. Leg onder 1 kopje een sneeuwbal (papieren propje). Waar heb je het verstopt? Onder het eerste, tweede....?
-Tellen met lepeltjes; Neem 12 lepeltjes of andere kleine voorwerpen. Maak er groepjes van. In welk groepje liggen er meer, minder, de minste, meeste of evenveel?
-Wie gooit de hoogste kaart, die mag ze allebei hebben.
-Oliebollen maken; gebruik klei of zand en maak grote oliebollen en kleine oliebollen. Leg ze van groot naar klein. Versier ze met kraaltjes of andere versiersels.
-Tellen met wattenschijfjes; schrijf de cijfers t/m 10 op aparte papiertjes. Leg daar de wattenschijfjes bij. Misschien kun je ook al sommen maken.
-Verzamel alle sjaals, mutsen, wanten en handschoenen en gooi ze op een hoop. Ga ze vervolgens sorteren en tellen. Waar heb je de meeste of de minste van. Schrijf er de cijfers bij.
-Meten; hoeveel potloden passen er aan de lange kant van de tafel? Je kunt dit ook buiten doen en dan met voetstappen.
-Sneeuwvlokken omcirkelen in groepjes van twee of vijf.
-Reeksen maken; knip 3 of 4 verschillende vormen uit vouwblaadjes. Een cirkel, vierkant, rechthoek, driehoek. Knip elke vorm 6 keer. Dat kan in verschillende kleuren. Maak er steeds verschillende reeksen van.
-Knippen van cijfers uit tijdschriften.
-Hoeveel tellen kun jij op 1 been staan? Een bal omhoog gooien en vangen? Hoe lang duurt het voor je van de glijbaan af bent? In hoeveel tellen loop je de trap op?
-Waar ken jij deze cijfers van? Welke cijfers hebben voor jou een betekenis? Dat vakje mag je kleuren. Bijvoorbeeld; mama is 34, ik ben 5 jaar. ik woon op 67. Je hebt hiervoor een honderdveld nodig.
-Doolhof bouwen met lego of duplo blokken.
-Het grote telspel. Zie bijlage.
-Net zo groot als....ik. zoek drie voorwerpen die bij elkaar ongeveer jouw lengte hebben.
-Maak een staafdiagram wat je vandaag allemaal eet en drinkt. (snoep-koek-drinken-zoet beleg-hartig beleg)
-Vormen zoeken; ga in huis op zoek naar voorwerpen met de volgende vormen: cirkel, vierkant, driehoek, rechthoek, ovaal. Van welke vorm heb jij er de meeste gevonden?
-Welk getal is bedekt? Je hebt kaartjes nodig met cijfers. Laat iemand een cijfer afdekken. Welk cijfer is er weg?
-Bouwen op een plattegrond met lego of duplo.
-Leg met sjaals mutsen etc. jouw huisnummer.